Probeerruimte = invloed hebben
Willem de Ruiter, GZpsycholoog
download de presentatie:
| Inspectie Zorg voor vrijheid 17-11-2009. |
Vrijheidsbeperking wordt meestal toegepast voor de veiligheid van de patiënt of cliënt. Als iemand zelf niet meer goed weet wat hij doet. Bijvoorbeeld door achteruitgang bij ouder worden. Of door een verstandelijke beperking.
Er zijn veel soorten maatregelen. Zoals vast zetten met een riem zodat iemand niet kan vallen, of veel pillen om boze uitbarstingen tegen te gaan. Of deuren op slot zodat hij niet kan weglopen. Het zorgen voor veiligheid is natuurlijk goed, dat moet ook. Maar je hoeft niet alle risico’s tot nul terug te brengen. Want als je dat doet zet je de cliënt of patiënt zowel letterlijk als figuurlijk vast en de nadelige effecten daarvan zijn groter. Je ontneemt iemand namelijk zijn invloed, zijn speelruimte, dit is: zijn autonomie.
Elk mens moet invloed hebben. Elk mens moet probeerruimte hebben. Dat kan je aanpassen aan de vaardigheden die iemand (nog) wel heeft. Dan loop je wel enig risico, maar dat moet juist ook. Zo blijf je namelijk beroep doen op iemands eigen verantwoordelijkheid. Je erkent hem als individu met zijn eigen autonomie.
Met alle betrokkenen (verzorgers, verwanten, psycholoog, arts) bespreek je wat een aanvaardbaar risico is. Door verwanten en verzorgers hier nadrukkelijk in te betrekken komt er ruimte om over veiligheid te denken. Absolute standpunten van het type 'er mag niets mis gaan', blijken minder absoluut. Vaak kan je dan de vrijheidsbeperking verminderen of vervangen door iets anders wat de cliënt minder beperkt.
De voordelen zijn groot, want je zorgt actief dat de cliënt zoveel mogelijk invloed = vrijheid houdt. Dat zal positief uitwerken op zelfgevoel, op stemming, op gedrag, op behoud van vaardigheden. De nadelen zijn klein want je weet welk, aanvaardbaar, risico er is.












